De kleren van de pinguïn Door Dirk Leyman, De Morg...

De kleren van de pinguïn

Door Dirk Leyman, De Morgen Boeken, 27.7.05

Lane walgde van covers vol 'bosoms en bottoms' en wilde geenszins teren op 'breastsellers'

In het Londense Victoria & Albertmuseum kun je de grafische geschiedenis van de Penguin Pockets volgen. Aanvankelijk domineren de kleur oranje en een strakke typografie, maar vanaf de jaren zestig vieren de vormgevers de teugels.

Simple but striking", zo typeert Phil Baines in de uitzinnig geïllustreerde catalogus Penguin by design. A cover story 1935-2005 de vormgeving van de eerste Penguin Pockets. Toen ze in 1935 in een worp van tien het licht zagen, husselden ze het Britse en mondiale landschap van de jaszak-boeken voorgoed door elkaar. Toch kon niemand vermoeden dat de eerste 'huisgemaakte' Penguin Pockets als grafische iconen in het geheugen gegrift zouden blijven. Als je ze honderdvoudig naast elkaar ziet liggen, ogen ze zelfs een beetje onbeholpen in al hun aandoenlijke eenvoud.

De eerste Penguin-ontwerpen waren een reactie op de grillige, schreeuwerige boekomslagen die destijds wijd en zijd furore maakten en de lezer al te begerig bij de strot wilden grijpen. Penguin-uitgever Allen Lane wilde zich fijntjes distingeren van de concurrentie. Hij had een bloedhekel aan drukke plaatjes op omslagen, die hij als "crass" (lomp) bestempelde.

In eigen bedrijf ging hij op zoek naar een ontwerper die hoofdzakelijk met kleur en belettering aan de slag zou gaan. Die witte merel was Edward Young, die in de Londense Zoo ook al het eerste Penguin-logo tekende. De latere Royal Navy-duikbootcommandant werd zonder veel ervaring tot Production Manager gebombardeerd en kreeg de visualisering van alle Penguin-series onder zijn vleugels. Youngs 'original Penguin' bestond uit drie horizontale blokken, waarvan het onderste en het bovenste eenzelfde schutkleur hadden (met uitgever en Penguin-logo erin) en het middelste witvlak de titel en de auteursnaam kon bevatten.

De kracht van de covers lag in het duidelijke kleurenpalet en de frontale, vette belettering. In de boekenstalletjes of stationskiosken pikte je er de Penguins blindelings uit. Oranje stond voor fictie, groen voor crime, kersenrood voor 'reizen en avontuur', blauw voor biografie én lichtblauw voor de Pelicans. Aangepord door het grote succes begon Penguin immers algauw met een rist zijseries (King Penguins, Penguin Shakespeare, Penguin Specials, Classics, etc.), waarin Young subtiele varianten op zijn oorspronkelijke 'frame' aanbracht.

Ondanks de glorieuze verkoopcijfers van de Pinguins ging de vormgeving tijdens de Tweede Wereldoorlog fameus aan het zwalpen. Bij gebrek aan duidelijke instructies raakten drukkers om de haverklap met de gewenste lettertypes in de knoei. De dalende papierkwaliteit gaf de pockets een morsig uitzicht. De covers waren flinterdun en uit pure ellende werden er binnenin zelfs publiciteitspagina's opgenomen.

Na de Tweede Wereldoorlog was het dan ook alle hens aan dek bij Penguin. Hoe invloedrijk en spraakmakend de series ook waren, met het oog op de concurrentie moest de Penguin-etalage dringend een schoonmaakbeurt krijgen. In 1946 nam uitgever Lane de befaamde Duitse typograaf Jan Tschichihold onder de arm. De consciëntieuze Tschichihold stroomlijnde niet enkel het Penguin-logo (de pinguïn, aldus W.E. Williams in zijn boekje The Penguin Story (1956), zag er voordien uit alsof hij "gepijnigd werd door appendicitis"), hij haalde ook grondig de bezem door de typografie en legde met Germaanse 'pünktlichkeit' onwankelbare richtlijnen vast voor alle Penguin-series. Tschichihold werd in 1949 opgevolgd door zijn landgenoot Hans Schmoller, zo mogelijk een nog grotere scherpslijper. Zijn bijnaam was Half-Point Schmoller, omdat hij honderden soorten lettertypes blootshoofds uit elkaar kon houden.

Al dat gepriegel aan de typografie bezorgde de Penguins een kraaknet maar stilaan ook voorspelbaar voorkomen. Slechts schoorvoetend kregen kunstenaars als Quentin Blake en Paul Hogarth een vrijgeleide om de covers op te fleuren. Vanaf 1960 veranderde het aanzien van de Penguins drastisch met de intrede van de doordouwende ontwerpers Germano Facetti en Romek Marber. Op de tentoonstelling is perfect te zien hoe aansprekende, losse en zelfs wufte beelden de pure typografie in de hoek dringen. Facetti introduceerde telkens een bij het boek passend visueel attractiepunt of kunstwerk en experimenteerde volop met fotografie. Het is een techniek die nu gemeengoed is geworden, maar toen nog weleens weerstanden opriep. Lane lag geregeld dwars. Hij walgde van covers vol "bosoms en bottoms" op het voorplat en wilde geenszins teren op "breastsellers". In 1967 was het nochtans zover: Barry Lategans coverbeelden voor verhalen en romans van de Ierse Edna O'Brien dansten op het dunne koord tussen softerotica en gestileerde body-art.

Chief Editor Tony Godwin, die meer en meer in de pap te brokken kreeg, gaf tal van kunstenaars kansen. Vooral de illustrator Alan Aldridge mocht zijn ding doen. Psychedelische covers deden hun intrede en Aldridge mixte art nouveau, pop art én comics op spitsvondige wijze. Lane steigerde. Toen Godwin zonder medeweten van Lane de nogal blasfemische cartoons van Siné publiceerde, vlogen de twee elkaar publiekelijk in de haren. Boekverkopers toonden zich geshockeerd en stuurden bezorgde brieven naar Lane. Met een paar getrouwen ging Lane bij nacht de voorraad Siné-boeken uit het magazijn weghalen en verbrandde hij op zijn farm de hele stapel. Kort nadien liet Lane nog een laatste keer zijn gezag gelden: Godwin kon gaan.

Lane was niettemin ook ruimdenkend (cfr. de ongecensureerde uitgave van Lady Chatterley's Lover) en bleek af en toe wel te vinden voor een uitgeversgeintje. Legendarisch is de misser bij de uitgave van Marshall McLuhans The Medium is the Message in 1967. De toenmalige mediagoeroe had in een vervloeiing van beeld en woord zijn theorie hapklaar uitgelegd. Maar toen het boek van de persen rolde, bleek in de titel niet 'Message' maar 'Massage' te staan. McLuhan was zeer verguld met de zetfout. "Leave it alone! It's great, and right on target! Now there are four possible readings for the last word of the title, all of them accurate: 'Message' and 'Mess age', 'Massage' and 'Mass Age'." Het boek werd met de foute titel de wereld ingestuurd en ligt nu als collector's item te pronk.

Na de dood van Lane raakte Penguin in een identiteitscrisis, wat zich weerspiegelde in een banalisering van de vormgeving tijdens de jaren zeventig en tachtig. Pas recentelijk is de wederopstanding van Penguin, als oer-Brits instituut inmiddels in handen van de Amerikaanse Pearson-groep, volop ingeluid. Het uitgevershuis grijpt elke gelegenheid aan om zijn backlist met liefst 5.000 titels in een fris kleedje te stoppen en zwaar te marketeeren. Vorig jaar pakte het uit met een box van twintig boekjes 'Great Ideas', waarin sleutelteksten uit de filosofie en wetenschap in een uniforme vormgeving werden geperst, subtiel refererend aan de oorspronkelijke typografie. De box werd genomineerd voor the Britse Designer's Award 2005. Voor de jubileumpockets ter gelegenheid van 70 jaar werd dan weer het kruim van de Britse lay-outers ingehuurd, van Peter Saville tot Sara Fanelli. Het leidde tot een heterogeen maar gedurfd staaltje hoogwaardige flapkunst, mooi gevisualiseerd als orgelpunt van de tentoonstelling. Overigens kun je geen Londense boekhandel of stationskiosk binnenstappen of de jubileumreeks straalt je tegemoet. En zo is de cirkel rond en mompel je binnensmonds de slogan van de eerste Penguin-affiche mee: "Wherever you go - take a Penguin book, Penguins taken on the train, elevate and entertain..."

Dirk Leyman


'70 Years of Penguin Design', nog tot 13 november 2005 in het Victoria & Albertmuseum, 20th Century Room, www.vam.ac.uk (metro South Kensington), toegang gratis. Feestwebsite 70 jaar Penguin via www.happybirthdaypenguin.com. Verzamelaarssite: http://www.penguincollectorssociety.org
Tags:
Geplaatst door Dirk Leyman op 11-03-2007
Verwante berichten
Reacties
Er werden nog geen reacties geplaatst.
Geef uw mening