Literair supplement - aflevering 43

Het weekoverzicht van de belangrijkste literatuurrecensies- en interviews uit kranten- en weekbladen in Nederland en Vlaanderen. In samenwerking met Athenaeum Boekhandel in Amsterdam. Met de Nederlandse Boekenweek in het vizier pakken de Nederlandse bladen stevig uit. Hun extra aandacht leidt tot een zeer omvangrijk supplement.

 

Eric Rinckhout wisselt met Vic van de Reijt van gedachten over zijn Elsschot-biografie in Uitgelezen van De Morgen: "Hij zocht de eenzaamheid op, hij was zo geniaal dat iedereen in zijn omgeving hem wel moest tegenvallen. Hij heeft als schrijver een ideaal leven willen leiden, maar schoot tekort. En dan schrijft hij het emotioneel op. Dat was het hoogste wat hij kon bereiken. Hij móést schrijven, en als het voltooid was, was hij euforisch." Marnix Verplancke las Mijn zus woont op de schoorsteenmantel van Annabel Pitcher. Kindverteller James "is het joch waarvan iedereen wel de ouder zou willen zijn", verzucht de recensent die getuigt van een opslorpende leeservaring. In de rubriek Kort wordt werk gesignaleerd van Hiromi Kawakami, Elisabeth Day en Hilary Duff. "Het is een meesterstuk in haar oeuvre", zo besluit Fleur Speet haar recensie over Meer dan mannelijk van Marion Bloem. Bloems verhaal over een vunzige seksist ("Je zou het literaire porno kunnen") roept bij de recensente vergelijkingen op met Ilja Leonard Pfeijffer, Jeroen Brouwers, Christiaan Weijts en Milan Kundera. Daartegenover een beschouwing van Paul Demets over Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen, een bundel waarin Leonard Nolens in dialoog treedt met de geliefde, met vrienden, met dichters en met de lezer. "De hele bundel, toont de vitaliteit, de blijvende koppigheid van de dichter Nolens" en "een aanstekelijk leesavontuur"

 

Marijke Arijs koos voor De Standaard "het indrukwekkend staaltje van historische ontleedkunde" dat Javier Cercas demonstreert in Anatomie van het moment. Het is een nauwgezette reconstructie van de couppoging die luitenant-kolonel Tejero pleegde in het Spaanse parlement op 23 februari 1981, én de  aanrader van de week. Het oeuvre van de Libische schrijver Hisham Matar cirkelt rond het verdwijnen van zijn vader, die werd in de jaren negentig door het regime van Khadafi opgepakt, sinds 2002 werd niets meer van hem vernomen. Kathy Mathys duidt dat biografische element in Matars debuut Niemandsland ("een aangrijpend boek dat nazindert") en in het net verschenen Anatomy of disappearance. De recente evolutie in Libië stemt de auteur, die in Londen woont, hoopvol, wel brengt hij een nuance aan: "Sinds de aanslagen van 11 september heeft iedereen de mond vol van "vrijheid". Natuurlijk is dat belangrijk, maar in Libië hebben mensen minstens zoveel nood aan waardigheid en respect." De Standaard vroeg ook Rodaan Al Galidi welke boeken ons inzicht kunnen geven in de ziel van de Arabische dictators; de uit Irak gevluchte auteur komt vooral bij Zuid-Amerikaanse schrijvers uit. Kathy Mathys interviewde John Banville; die voert een tussenkomst van de Griekse goden op in De onsterfelijken, zijn recente roman over de stervende Adam Godley. Intussen verscheen ook De zwaan van Dublin, een nieuw deel in de reeks thrillers die John Banville schrijft als Benjamin Black. Twee stukken ook over nieuwe Nederlandstalige fictie. Mark Cloostermans las de "twintig uitstekende, droogkomische en fijnzinnige kortverhalen" in Elektriciteit van Rob van Essen en Filip Van Ongevalle ziet hoe Hanna Bervoets "een paar stekels steekt" in Lieve Céline, "een speciaal boek". Met Red ons van de dichters dwingt Menno Wigman bewondering af bij Toon Horsten, want "zelfs als hij over poëzie schrijft, slaagt hij er niet in te vervelen".  En de Zuid-Afrikaanse Riana Scheepers "fascineert haar lezers met ambigue teksten.." in haar verhalenbundel Katvoet, een recensie van Ludo Teeuwen. Ook Anni Van Landeghem deelt de visie van andere recensenten over M. Vasalis. Een biografie, ze had meer plezier beleefd aan een grotere selectie uit het niet eerder gepubliceerd materiaal "dan aan deze bijwijlen uitputtende, 'elk kuchje' bevattende raamvertelling."  En Pia De Jong mag dan wel een dosis spanning injecteren in Dieptevrees, het verhaal van de ontsporing van tandarts Edmond Zwaen is voor Sofie Gielis "te afstandelijk om echt te boeien."  Tot slot nog één schamele ster voor de roman De smaak van het verlangen. Ik zal alles voor je proeven van radiomaker Sven Ornelis door Eva Berghmans.

 

In Knack een interview van Jan Stevens met Nicole Krauss (foto), over Het grote huis, "een roman om op een lange winteravond in één ruk uit te lezen bij het knetterende haardvuur." Over Obama: "We zijn er geweldig op vooruitgegaan. Ik wou dat mijn medeburgers hem niet zo bekritiseerden." Hellemans is cassant over Gitte van Kristien Hemmerechts: "Ze maakt het na een tijdje zo bont dat je je afvraagt of ze met deze burleske familieroman misschien zichzelf wil persifleren." Maarten Dessing spuit veel lof over Ga niet naar zee van Tommy Wieringa: "Op een gegeven moment ben ik gestopt met noteren welke stukjes goed, mooi of puntgaaf zijn." Verder ook Jan Stevens over Mick Jackson, Het verhaal van een weduwe. En Bart van Loo treedt buiten zijn oevers over het elders overal afgeserveerde Adolf H. van Eric-Emmanuel Schmidt. "Hier is een schrijver aan het woord, die zijn metier kent en erin slaagt historische kritiek te paren aan immens leesplezier."

 

 Joost van Velzen spreekt in Trouw boekenweekgeschenkauteur Kader Abdolah: “Het was nooit mijn droom om het Boekenweekgeschenk te schrijven maar het is een aardige duw in de goede richting naar de top. Wat de top is? De top is breed gelezen te worden, vertaald worden in tal van talen, dat er interesse is voor mijn lezingen.” Jaap Goedegebuure ziet schrijversheldendom bij Kader Abdolah: “Zo”n dwingende acteur komt in Nederland als geroepen om te voldoen aan het openlijk ontkende, maar niettemin diep in ons gewortelde verlangen naar glamour, dramatiek, noblesse, een verlangen dat Mulisch met enige flair inhoud wist te geven, waarvoor je bij zielentrooster Jan Siebelink maar gedeeltelijk terecht kunt, maar dat bij Kader Abdolah in goede handen is.” Julie Phillips bepleit “een reeks biografieën voor kinderen: sommigen zullen het nationalistisch vinden, anderen zullen het afdoen als veredelde roddel, maar ook kinderen, zelfs Nederlandse kinderen, hebben helden nodig. Al was het maar omdat ze goed zijn voor een meeslepend verhaal”.

Lisa Kuitert analyseert vervolgens “waarom verschijnt er zoveel literaire nonfictie en hoe kan het gebeuren dat in dit genre soms heuse bestsellers ontstaan?” Haar antwoord: “Fictie krijgt uiteraard ook de nodige aandacht in kranten, maar op televisie is het moeilijk praten over een roman die door de meeste kijkers nog niet gelezen is. Literaire non-fictie is op televisie ook interessant voor wie nooit een boek leest en nodigt dus uit tot media exposure. Dat is waar een uitgever op hoopt. Zonder free publicity is een boek immers bijna niet meer te verkopen.” Held als hoofdpersoon, daar schrijft Rob Schouten over, en dan wel de middelbare held. Was een jaar geleden de jeugd nog het boekenweekthema, nu kan hij niet meer om de conclusie heen: “Nog niet zo heel lang geleden heette een ongelukkige jeugd de goudmijn voor een schrijver, maar tegenwoordig is die goudmijn de middelbare leeftijd, die een tijd is van late lusten, van gedesillusioneerde gearriveerdheid en van verheven verantwoordelijkheden. Kom daar maar eens om als je gewoon nog jong of al oud bent.” Monica Soeting dan, over biografieën in opdracht: “Idealistische motieven spelen dus een grote rol in dergelijke biografieën. Daarbij is het van doorslaggevend belang dat de memoires van deze ik-personages dankzij professionele auteurs structuur kregen: een verhaal met een kop en een staart.” En: “Het vorm- en zingeven van een leven valt en staat dus met de stilistische vaardigheid van de auteur.” Plus: de beste biografieën.

 

Moeten we het wel over “geschreven portretten” hebben, vraagt Maarten Doorman zich in de Volkskrant af: “Het leuke aan Ecrivains/Artistes is, dat je kunt zien hoe in de prehistorie van het niet-digitale tijdperk de taal en het visuele in de inborst van telkens één kunstenaar om voorrang vechten, als in een frivole voorgeschiedenis van de Total War tussen tekst en beeld van nu.” Hans Bouman dan, over Slawenski”s Salingerbiografie: “Slawenski besteedt weinig aandacht aan de literaire kwaliteiten van Salingers proza, maar is sterk geneigd relaties te leggen tussen leven en werk van de auteur. Omdat er over dat leven veel minder bekend is dan een biograaf zich zou wensen, hebben die pogingen dikwijls een speculatief karakter.” Erwin Mortier analyseert aan de hand van Paul Claes' De tuin van de Franse poëzie het hovelijke aan die poëzie, en Geke van der Wal spreekt Kader Abdolah. Over zijn roman De koning: “Het is een van mijn meest autobiografische boeken ooit!” En: “Ik ben een Perzische schrijver met mooie Hollandse trekken. Ik heb het talent als schrijver van huis uit meegekregen, maar dankzij de Nederlandse vrijheid heeft deze boom kunnen groeien. Ik ben benieuwd hoe hoog hij zal worden. Ik denk dat ik halverwege ben.”

Verder veel biografieën. Gert J. Peelen las Hans Werkmans “evenwichtige biografie” van Willem de Mérode, Olaf Tempelman Lev Loseffs boek over Brodsky (foto). “Het is de vraag of Brodsky een betere biografie zal krijgen. A Literary Life bezit alle voordelen die een biograaf heeft die overal bovenop zat en vrijwel geen van de nadelen.” Daniëlle Serdijn, ten slotte, heeft weer eens het zoveelste boek van een belofte te pakken: Arjen Lubachs Magnus. “Het beste [boek] moet nog komen.” In de Volkskrant van woensdag was al aandacht voor de “epigonen”: de Voskuilromans, de familiegeschiedenissen, de vrouwenthrillers, de oer-Nederlandse roman, het breinboek. Met interviewtjes met betrokken uitgevers, auteurs, recensenten. Een in elkaar gedraaid itempje, maar er komen aardige quotes uit voort. Vooral de reactie van Detlev van Heest is zinnig en aardig: “Van de huidige etiketteringszucht moet ik niets hebben. Het maakt mij boos dat ik in een aantal recensies een epigoon van Voskuil ben genoemd.” En: “Voor hetzelfde geld had mijn epigonisme afgeleid kunnen worden uit ons gebrek aan haaruitval.” En de nieuwste loot, volgens de Volkskrant in de categorie “De oerhollandse roman” is geen roman, zegt de auteur, Rachel Visscher: “Ik ben niet de nieuwe Franca Treur. Zij schreef een roman, mijn boek is essayistisch en geschreven vanuit de rol van buitenstaander die een korte periode verblijft in een streng gelovig milieu. Toen haar boek verscheen, werkte ik al aan mijn boek.” Iets verder in de nieuwe bijlage V schrijft Joost Zwagerman over de eigenaardige rouwrituelen van Joyce Carol Oates en Joan Didion: “Die "gekte" is een aspect van de rouw waar de schrijfster het minst op bleek berekend. Zij betrapt zich er meer dan eens op in huis handelingen te verrichten die gericht zijn op de terugkeer van haar man. Natuurlijk, hij komt niet, nooit terug - maar toch. [...] Ze schrijft op post-it briefjes kleine dingen die ze niet mag vergeten, zodat ze die aan haar man kan vertellen.”

 

De eerste NRC Boeken op donderdag is gewijd aan de Boekenweek, aan Geschreven Levens. Atte Jongstra opent, met een vraag: “wie willen we navolgen? Welke levens, al dan niet vastgesteld nemen we als voorbeeld?” Onder andere Grunberg over “absolute eenling” Joseph Roth en acteur Gijs Scholten van Aschat over John Cheever (“Het contrast tussen zijn uiterlijk en innerlijk leven spreekt me zeer aan”). Maartje Somers bespreekt het boekenweekessay: schrijfster Christine Otten koos ervoor om een verhaal te verzinnen bij nostalgische foto's die Erik Kessels vond. “Een ieder zij eigen associaties, maar het verhaal dat Otten schreef vormt door zijn wereldse karakter eigenlijk een slecht huwelijk met de kleinsteedse intimiteit van de foto”s.” Er is een overzichtje van biografieën in de pijplijn, een prijsvraag (uit welke 23 schrijverslevens is de fictieve biografie samengesteld die Elsbeth Etty van Victor Vrouwendrift schrijft) en een selectie van de Boekenredactie uit nieuw verschenen titels. En op de middenpagina bepleit Pieter Steinz een Centraal Bureau voor de Biografie, waar iedere biograaf in spe een vergunning en paginaquotum moet afhalen: “Het is maar heel zelden dat het leven van een schrijver (of een andere kunstenaar) interessanter is dan het werk dat hij schiep.” “Biografen lijden aan een volledigheidsobsessie.” Daarom laat hij ook Maaike Meijers M. Vasalis liggen. Elsbeth Etty interviewde haar: “Haar kinderen hebben mij heel veel intieme documenten van hun moeder gegeven en daarin komt ze soms bijna opperhuidloos over. Vooral in haar dagboek, dat in sommige periodes vaak erg bedroefd en melancholisch is. Maar in het dagelijks leven was ze een baken van kracht en optimisme terwijl ze toch haar sensitiviteit niet verloor. Een prachtige combinatie.” Meer levens, meer biografieën: Janet Luis recenseerde de boeken van Karlijn Stoffels (Zuiderzeeballade) en Frida Vogels (Tante Lucietta). “Opvallend is het hoeveel ongelukkige vrouwengeschiedenissen de revue passeren.” In Zuiderzeeballade doet de hoofdpersoon “lijzig, bleek en sneu aan, alsof ze er liever niet zou zijn”. Anders is het in “tussendoorboek” Tante Lucietta: “Ik heb Vogels niet eerder met zoveel enthousiasme over iemand zien schrijven.” Arjen Fortuin las Kader Abdolah”s boekenweekgeschenk én zijn nieuwe roman, De kraai en De koning: “Abdolah biedt een overvloed aan informatie, maar een gebrek aan literaire kracht om een en ander samen te binden tot een boek dat blijft. Margot Dijkgraaf dan, over Eric-Emmanuel Schmitt, die een “hinderlijk moralistische” verhalenbundel, Concert voor een gestorven engel en een mislukte roman, Adolf H., schreef. Ten slotte: Salinger. Toef Jaeger over Slawenski's biografie: “Hij maakt Salingers overwegingen invoelbaar, en dat is knap.”

 

'Lees een mens' is het motto van de boekenweekspecial van Vrij Nederland. De Republiek der letteren en schone kunsten bevat deze week maar liefst 18 pagina's beschouwingen, recensies en meer over biografieën. Geopend wordt met een groot opiniestuk van Hans Renders over de inflatie van het levensverhaal: “De biografie is zo populair dat het genre over de kop lijkt te gaan.” Binne de Haan ziet het zonniger in: in een analyse concludeert hij dat de biografie, “een van oudsher omstreden genre”, het goed doet in Nederland. Een deel van de “achterstand” is weggewerkt: “Niet alleen verschenen nu eindelijk levensbeschrijvingen van belangrijke erflaters; ook de kwaliteit van de Nederlandse biografie steeg.” En: “Ook aan biografieën van recent ontslapenen wordt gewerkt.” Na deze artikelen volgt nog een overzichtje: samen maakten De Haan en Renders een selectie van biografieën die écht de onthullingen bieden die ze beloven. Jeroen Vullings bespreekt Vic van de Reijts Elsschot. De waarde van Elsschot wordt volgens Vullings “mede bepaald door de manier waarop dit boek zich onderscheidt van nogal wat recente biografieën”. Zo “is zijn boek niet krankzinnig dik, het is up-tempo geschreven, zakelijk, de feiten spreken voorzich en de biograaf heeft zich beperkt tot anekdotes die ertoe doen. Vullings benadrukt bovendien de “uitnodigende leesbaarheid”. Dan Lisa Kuitert, zij schreef een korte geschiedenis van Privé-domein. “Al vijfenveertig jaar brengt de serie Privé-domein een mix van memoires, brieven, dagboeken en ander autobiografisch werk. Geschreven met stilistisch vernuft, […] gelezen om de literaire sensatie.” Over de door Marian Janssen opgetekend biografie van de vergeten dichteres Isabella Gardner zegt Renders: “Dat er onlangs een lijvige biografie van Gardner is verschenen is al opmerkelijk, maar dat deze door een Nederlandse biograaf is geschreven mag helemaal opvallend heten.”

 

 Het (eerste) Boekenweeknummer van De Groene staat zo vol dat het amper op te sommen is. Dichters en denkers staat in het teken van het waargebeurde verhaal en gaat over memoires, biografieën en het imago van schrijvers. Het eerste artikel gaat over interviews met auteurs. Het persoonlijke element in interviews is zozeer aanwezig, dat de schrijver het beeld van zichzelf dat hij naar buiten brengt optimaal kan regisseren, constateert Marja Pruis. “Met “het gezicht achter het masker vandaan te halen” heeft dat allemaal niet zoveel te maken. Meer met uitgekiende pr.” Pruis heeft wel een idee van wat er gaande is: “De journalistiek lijkt steeds maar literairder te willen worden, terwijl literair proza almaar journalistieker wordt.” Joost de Vries schrijft over memoires, “misschien wel het populairste literaire genre van de laatste jaren”. “Vroeger publiceerden alleen gevestigde schrijvers memoires, […] nu is dat niet langer het geval; wie ergens een workshop creatief schrijven volgt, krijgt te horen dat je “moet schrijven wat je weet” en dat je op “autobiofictie” moet mikken.” Mariëtte Baarda sprak voor deze boekenweekspecial met Detlev van Hees (foto), die in 2010 debuteerde met het autobiografische tweeluik De verzopen katten en de Hollander en Pleun. Van Heest: “Mensen doen autobiografisch schrijven vaak af met egocentrisme. […] Toch is het een superieure vorm van schrijven, waarin je voortdurend moet opboksen tegen het verlangen de zaken mooier voor te stellen dan ze zijn. Maar het gáát wel ergens over. Hoe kan een mens zich optrekken aan zoiets versluierends als een gedicht?” Verder gedenkt Reinjan Mulder de tien jaar geleden overleden schrijver W.G. Sebald met een stuk over zijn leven, zijn oeuvre, en de centrale plaats van het “onschuldige” landschap daarin. Vijftien jaar geleden sprak hij met de schrijver voor NRC Handelsblad: “Ik probeer me voor te stellen dat ons landschap er in de toekomst zo uitziet, zonder menselijk leven, met alleen maar stenen, stof, chemie en ijzer. Een prehistorische dodenakker.” Dan de recensies. De Groene volgt de bekende weg met Vasalis en Elsschot. “Dankzij Maaike Meijer is ze nu veel meer dan die “bijna anonieme dichteres van de Drie Bundels in Een Kwart Eeuw,” zegt Xandra Schutte over de Vasalisbiografie. “Van bijna-heilige is ze mens geworden, een bijzonder getalenteerd, dapper, opgewekt, maar ook worstelend en tragisch mens.” Volgens Kees 't Hart heeft Vic van de Reijt met Elsschot een “topprestatie” geleverd. “Elsschot is er helemaal.” Marja Pruis bespreekt Joyce Carol Oates' A Widow's Story: A Memoir (“De delicate wijze waarop de schrijfster in dit logboek van rouw op het koord van liefde en verraad balanceert tot en met het laatste ontroerende hoofdstuk, maakt uiteindelijk grote indruk, want doet zich voor als ontstellend eerlijk.”), en Rob Hartmans de biografie Joseph Brodsky: A Literary Life (“Het is een handzaam boek geworden, maar je hebt na lezing wel het idee dat je over Brodsky weet wat je wilt weten.”). De laatste bespreking is van de twee titels die te maken hebben met de Vlaamse schrijver Ivo Michiels: de bloemlezing Journal brut, een reconstructie en Meer dan ik mij herinner, de door Sigrid Bousset opgetekende gesprekken met de auteur. “Ik heb, naarmate het journaalproject vorderde, wel vaker kritiek geuit op de experimenten van Michiels, op zijn gekunsteldheden, zijn pathos, zijn “naïviteit”,” schrijft Cyrille Offermans. “Maar nu ik al een paar dagen ben ondergedoken in deze “reconstructie” verbleken mijn kanttekeningen tot pietluttigheden. […] Ik maak een diepe buiging voor de oude meester, een diepe, dankbare buiging.”

 

Ook Het Parool is in Boekenweeksferen. Jos Bloemkolk interviewt Elsschotbiograaf Vic van de Reijt. “Hij wilde in klassiek Nederlands schrijven, wars van modewoorden. Het moest ook na zijn dood nog te lezen zijn. Daarmee was hij een totale eenling.” En: “Tijdens het schrijven van [Kaas] zit er een gat in zijn zakelijke correspondentie van twee weken. Hij maakte die dagen ook niet zijn gewone caféronde.” Arie Storm vraagt zich in een groot stuk af: “Echt gebeurd?” Hoe Vincent van Gogh, Nina Storm, J.M. Coetzee en Claudia de Breij in hetzelfde rijtje beland zijn. En: “Tegenwoordig moet je je als schrijver doodschamen als álles in je roman verzonnen is, want waar zijn de mensen van vlees en bloed gebleven?” En Maarten Moll spreekt Tanny Dobbelaar, de auteur van Familieverhalen: “Schrijven is niet zaligmakend. Praten, een goed feest organiseren, in therapie gaan: het zijn óók manieren om dichter bij je familie te komen - of om je verhouding tot je familie opnieuw te bepalen.” Maar er zijn ook recensies. Arie Storm bejubelt Miquel Bulnes” Het bloed in onze aderen, “een imponerend boek”, waarmee Bulnes “zich met zijn vierde boek in één klap op de kaart als een van onze belangrijkste jonge schrijvers” zet. “Een onbekende periode uit de Spaanse geschiedenis is door Bulnes in romanvorm energiek opgeroepen. Maar bovenal heeft hij sterke romanfiguren weten te creëren. Dat is een niet geringe prestatie.” Jos Bloemkolk weet zijn interview met de auteur van het “compacte, consciëntieuze, geïnspireerde” Elsschot uitstekend te combineren met een positieve recensie/beschrijving van het boek, en Hans Renders analyseert Jan Fontijns Opgebouwd uit hetzelfde: “Familie was voor [Fontijn] ook de leerschool voor de dood. Geen wonder dus dat Fontijn zich bovenmatig interesseert voor de manier waarop broers en zusters in de literatuur figureren.” Theo Hakkert dan over Murakami”s derde boek 1Q84 (“1Q84 is een grote trilogie, zonder enig voorbehoud. Uit het achterhouden van dit deel mag echter niet worden afgeleid dat het spektakel hier een extra dimensie krijgt.”) en Thomas Verbogt, ten slotte, over de verhalenbundel Als ik van je hield, zou ik je dit vertellen van debutante Robin Black. “Het mooie van het boek van Black is dat er verhalen in staan die voorbeeldig laten zien hoe een kort verhaal in elkaar kan zitten, én verhalen die het tegendeel zijn, dus tamelijk matig, zeg maar romans in het klein die traag op gang komen.”

 

HP|De Tijd heeft haar Boekenweeknummer. Met, traditioneel, de jaarlijkse literaire pikorde. Mai Spijkers, de uitgever van Prometheus (Franca Treur, Umberto Eco) is bovenaan gezet. Plus: een interview met Umberto Eco. “Voor het soort boeken dat ik schrijf, niet de rommel die wordt gemaakt om op het strand te lezen, nee, ik bedoel een boek als dit, heb je niet meer dan tweeduizend góede lezers, drieduizend hooguit. Alle anderen lezen niet goed.” Plus: experts over e-books. Annette Portegies: “Als ik een boek wil lezen dat al in gedrukte vorm bestaat, zal ik het niet snel als e-boek downloaden: er gaat nog altijd niets boven de geur van inkt, het potloodgekrabbel in de marge, het ezelsoor aan de laatst gelezen pagina voor het slapengaan... De tijd zal leren of ik een dinosaurus ben.” Plus: Karen Geurtsen undercover in de Haarlemse Mulischstraat (“in Delftwijk Noord leest dus wél iemand literatuur”). Plus: Freek de Swart in tweedehandsboekwinkeltjesdorp Bredevoort. Plus - en nu is het echt klaar: een recensie van de debuutroman van Justine Le Clercq (Frank van Dijl: “een fraai debuut”).

Tags: Literair supplement
Geplaatst door Johan Eeckhout/Dirk Leyman/Daan Stoffelsen op 13-03-2011
Verwante berichten
Reacties
Er werden nog geen reacties geplaatst.
Geef uw mening