Honderdjarige uitgeverij Gallimard floreert als nooit tevoren

Het vlaggenschip van de Franse literatuur bevindt zich in een feestroes. Uitgeverij Gallimard, waar zowat alle Franse auteurs van statuur een onderkomen vonden, bestaat honderd jaar. Dat resulteert in een onafzienbare stroom publicaties, herdenkingen én een prestigieuze tentoonstelling in de Bibliothèque Nationale de France, van 22 maart tot 3 juli in Parijs. De prachtig vormgegeven catalogus bij de tentoonstelling Gallimard, un siècle d'édition, is een waar kunststuk, met veel nooit eerder getoonde archieffoto's, briefwisseling en de fiches de lecture waar beroemde lectoren als Raymond Queneau en Albert Camus al dan niet hun fiat gaven over een uitgave bij Gallimard.
Ontstaan uit het door André Gide geleide tijdschrift La Nouvelle Revue Française, nam Gaston Gallimard in 1911 de teugels in handen van de uitgeverij. Gide had het plan om de auteurs die in het tijdschrift publiceerden een volwaardig uitgevershuis te bieden en wilde ze onderbrengen in de Editions de la Nouvelle Revue Française. Die naam is al spoedig door Gaston omgezet naar Gallimard.
Het waarmerk werden de roomkleurige omslagen met een fijn rood en zwart kader. Deze collection Blanche fungeerde als een stijlvol kwaliteitslabel en is dat in feite nog steeds, zowel voor Franse als internationale auteurs. Schrijvers als Paul Claudel, Louis Aragon, André Breton en Jean-Paul Sartre, en niet te vergeten Raymond Queneau, Albert Camus, Marguerite Yourcenar, Marguerite Duras, Patrick Modiano, Nobelprijswinnaar J.M.G. Le Clézio en Michel Tournier verbonden zich aan Gallimard. De catalogus leest dan ook als een roemruchte geschiedenis van de Franse literatuur. Bij de Prix Goncourt is Gallimard steeds goed vertegenwoordigd. Het verzamelde 35 keer de Goncourt, maar mocht zich ook verheugen in 36 Nobelprijzen, 10 Pulitzers, 17 maal de Prix Renaudot en 28 keer de Prix Fémina. Een gekoesterd auteur is ook Patrick Modiano, die er op 23-jarige leeftijd het meteen met de Prix Nimier bekroonde La Place de l'Etoile publiceerde en sindsdien hondstrouw is aan Gallimard. Hij ontving in 1977 de Goncourt.

Maar het florissante Gallimard heeft veel meer pijlen op de boog dan enkel zijn collection Blanche: van de Série Noire (met politie- en misdaadromans, een naamvondst van Jacques Prévert) tot de chique Pléiade, waarin de Franse en buitenlandse canon in dundruk verschijnt. Die reeks garandeert Gallimard overigens een tiende van zijn omzet. Daarnaast zijn er bijvoorbeeld ook de succesrijke pocketserie Folio en de monografieën in de reeks Découvertes. Zeker heeft het uitgevershuis intussen ook een fijne neus voor jong talent en mag het met recht en reden een seismograaf van de hedendaagse literatuur heten. Marie Ndiaye (overgestapt van Editions de Minuit), Jonathan Littell, Tristan Garcia, Yannick Haenel en Maylis de Kerangal zijn maar een paar van de paradepaardjes van de nieuwe Gallimard-garde. Maar iemand als Michel Houellebecq hebben ze nooit kunnen strikken. In totaal heeft Gallimard nu een backlist van 40.000 titels. Longsellers zijn Le Petit Prince van Antoine de Saint-Exupery met 13.096.000 verkochte exemplaren en Albert Camus' L'Etranger met 10.035.000 exemplaren.


Opmerkelijk is dat Gallimard altijd als familiebedrijf is blijven functioneren: Claude Gallimard volgde Gaston op aan het commando in de rue Sébastien-Bottin (niet na een bitse opvolgingsstrijd met de samen met Camus verongelukte neef Michel Gallimard) en vanaf 1988 is het Antoine Gallimard die de uitgeverij leidde én autonoom én ook expansief te werk ging. Gallimard beleefde een moeilijke periode tijdens de jaren 1925-1930 en tijdens WO II (met de collaboratie van Drieu de la Rochellle) en zag af en toe ook financiële zwarte sneeuw. Maar Gallimard heeft nu ook Harry Potter in de portefeuille, wat een stevig appeltje voor de dorst opleverde en er mee voor zorgde dat het de zelfstandigheid kon vrijwaren. Sinds 2003 is de familieholding Madrigal voor 98 procent eigenaar van het kapitaal. Gallimard is tevens hoofdaandeelhouder bij de verwante uitgeverijen Denoël, La Table Ronde, Mercure de France, P.O.L., Verticales en Joëlle Losfeld. Antoine Gallimard trekt uitdrukkelijk de kaart van de jeugd en lucht verder de ramen: aan het hoofd van zijn collecties zette hij stuk voor stuk jonge uitgevers.
Verder heeft Gallimard ook tijdschriften als L'Infini (van Philippe Sollers) en Le Débat (van Pierre Nora) onder de vleugels, als rendez-vous van het intellectuele Franse leven.

 

Anekdotes uit de geschiedenis van Gallimard zijn doorspekt met namen van beroemde schrijvers. 'Zo was Gide in eigen persoon verantwoordelijk voor de afwijzing van Du côté de chez Swann, het eerste deel van Marcel Prousts romancyclus A la recherche du temps perdu. Via een omweg (het boek werd uiteindelijk gepubliceerd door uitgeverij Grasset) werd het tweede deel van Prousts manuscript wel door Gallimard geaccepteerd. À l'ombre des jeunes filles en fleurs werd in 1919 bekroond met een prix Goncourt. Gide gaf later toe de afwijzing te betreuren. Gallimard weigerde ook Voyage au bout de la nuit van Louis-Ferdinand Céline en haalde de neus op voor Ulysses van James Joyce.
Iets soortgelijks overkwam Michel Tournier (foto, met Claude Gallimard) die, met reeds een Grand Prix du Roman van de Académie Française op zak voor zijn eerste roman, met Gallimard in conflict kwam over de opzet van zijn tweede roman. Raymond Queneau van het beruchte comité de lecture liet zich echter door Tournier overtuigen, het boek (Le Roi des Aulnes) werd ongewijzigd gepubliceerd en kreeg in datzelfde jaar (1970) de Prix Goncourt.
Overigens had enkele maanden eerder de overdracht van Tourniers manuscript al aan een zijden draadje gehangen. Jean-Marie Magnan beschrijft in zijn literaire biografie over Tournier (Michel Tournier ou La rédemption paradoxale) hoe de schrijver met zijn eindversie naar het beroemde adres aan de rue Sébastien-Bottin toog en tot zijn verbijstering aan een gesloten deur kwam. 'C'était un jour férié.' Uiteindelijk vertrouwde Tournier zijn papieren toe aan een naburige boekhandelaar die de volgende dag als koerier fungeerde. Waarna alles toch nog goed kwam.
Het gesloten pand van Gallimard (foto: Rue Sébastien-Bottin) is enigszins symbolisch voor het bastion dat de uitgeverij lange tijd was. Pottenkijkers werden niet toegelaten. Promovenda Lies Wijnterp van de RU, die onderzoek deed naar de receptie van Borges in Frankrijk, kreeg in 2009 met veel moeite inzage in een deel van het archief, gelegen in de kelder van het gebouw. De interne recensies van het comité de lecture bleven echter verboden terrein.
Boek en expositie lijken nu een nieuwe trend naar meer openheid van het altijd zo discrete uitgevershuis te illustreren. De catalogus biedt, naast een uitgebreid overzicht van de geschiedenis van de uitgeverij, haar collecties en prijswinnaars, ook een kijkje in de correspondentie met auteurs, verkoopcijfers en een aantal van de gevreesde interne recensies, de 'fiches de lecture'. Jammer dat een namenregister een overbodige luxe bleek voor Gallimard bij Un siècle d'édition.

Bij wijze van extra nog een aantal links naar Gallimard-verhalen in de Franse media:

°°Pierre Assouline op zijn blog La république des livres over 100 jaar Gallimard

°°Interview met Antoine Gallimard in Télérama. En L'Express over 100 jaar Gallimard.

°°Overzichtsartikel bij Le Nouvel Observateur. En Antoine Gallimard blikt terug.

°°Libération: Gallimard, le roi lire a 100 ans.

°°Over de fiches de lecture van Queneau in Le Monde.

°°Filmpje over de expositie in de BNF en Paris update over de tentoonstelling (in het Engels).

°°En natuurlijk ook veel historische achtergronden op de site van Gallimard zelf.

°°Zeker ook de aanschaf waard is het boekje van Alban Cérisier, Gallimard, un éditeur à l'oeuvre (in de reeks Découvertes). Er is ook een speciaal nummer van de Nouvelle Revue française, onder redactie van Jean Rouaud: Le roman du XXe siècle.

Tags: Franse literatuur
Geplaatst door Dirk Leyman/Marjolein Corjanus op 30-04-2011
Verwante berichten
Reacties
Er werden nog geen reacties geplaatst.
Geef uw mening