Parijse expo belicht literaire leven tijdens Duitse bezetting

In het Parijse Hôtel de Ville is tot 9 juli de meer dan interessante tentoonstelling Archives de la vie littéraire sous l'Occupation te zien. Het IMEC (Institut Mémoires et de l'édition contemporaine) stelde een zeer uitgebreide expositie samen van meer dan 800 documenten en beeldfragmenten, die een indringend beeld geven van het literaire leven in Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 2009 vond een gelijknamige, veel beperktere tentoonstelling plaats in de openbare bibliotheek van New York, waar zo'n 200 documenten te zien waren.

Een van de samenstellers was en is ook nu weer de Amerikaanse historicus Robert O. Paxton, gespecialiseerd in de Vichy-periode. Curator namens het IMEC is literatuurhistorica Claire Paulhan, kleindochter van de Jean Paulhan (1884-1968), de illustere hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Nouvelle Revue Française (NRF) en kopstuk van de literaire verzetsbeweging.

Mme Paulhan heeft benadrukt dat een kleinere tentoonstelling zoals die in New York in Frankrijk alleen maar tot controverses zou leiden. "In Frankrijk is er meer tekst en uitleg nodig." Het IMEC poogt in deze grootschalige Franse editie een overzicht te geven van goed en fout en alle schakeringen daartussen, wat ook op het literaire leven in bezet Frankrijk sterk van toepassing is. Waar de een koos voor het gewapend verzet (zoals schrijver en journalist Jean Prévost die in 1944 zou sneuvelen), zette de ander (zoals de omstreden schrijver Pierre Drieu La Rochelle) zijn kaarten in op de Duitse bezetter. Sommigen overleefden hun gevangenschap of concentratiekamp om daar later indringend verslag van te doen (zoals schrijver Robert Antelme 1917-1990), anderen, zoals schrijfster Irène Némirovsky (1903-1942; zie dit DPM-bericht) en de dichter Robert Desnos (1900-1945) overleefden de oorlog niet. En dan was er nog de groep 'attentistes', degenen die twijfelden over hun keuze en in afwachting van uitsluitsel een wiebelige middenweg bewandelden.

In een recensie gebruikt de New York Times de term 'shock value'. De krant noemt als voorbeeld de ijzingwekkende beelden uit oude bioscoopjournaals waar Franse literaire kopstukken, zoals dichter Jean Cocteau, zich vrolijk in nazi-kringen bewegen.

Deze periode, waarin men zijn leven riskeerde als men verboden teksten las, drukte of verspreidde ('un crime contre l'esprit' zoals literator Louis Aragon (1897-1982) het noemde), wordt in het Hôtel de Ville middels tien verschillende thema's belicht.


Eén thema belicht de oprichting in juni 1940 van de eerste literaire verzetsbeweging, 'Les Amis d'Alain-Fournier'. In een ander thema wordt stilgestaan bij de literaire hulp die vanuit het buitenland geboden werd. Zo werd het gedicht Liberté van Paul Eluard uit 1941, dat het strijdlied van het Franse verzet zou worden, in maar liefst 150.000 exemplaren door de Britse RAF over Frankrijk verspreid. Franstalige uitgevers in Canada namen het werk voor hun gecensureerde Franse collega's over. En vanuit Zuid-Amerika, en met name Argentinië, verzonden schrijvers kleding- en voedselpakketten naar boekhandelaar Adrienne Monnier.

Berucht zijn de lijsten met verboden boeken die de Duitse bezetter opstelde, van de 'liste Bernhard' in 1940 tot en met de lijst uit mei 1943 met daarop 793 'Joodse schrijvers in de Franse taal'. Na de bevrijding volgde daarop een lijst van een heel andere orde. Het Comité national des écrivains (CNE) werd voor het intellectuele milieu de enige juridische instantie en stelde ten behoeve van de Epuration des Lettres ('literaire zuivering') een zwarte lijst op met collaborerende schrijvers. De harde opstelling en dito straffen (zo werd schrijver Robert Brasillach gefusilleerd) kwam het comité op zware kritiek te staan.

Zeer lezenswaardig is de genuanceerde recensie in de Frankfurter Allgemeine Zeitung, die als titel Der Krieg der Schriftsteller meekreeg. De krant wijst erop dat juist de gebeurtenissen rondom La Nouvelle Revue Française laten zien hoe weinig eenduidig de onderlinge verhoudingen lagen. In 1940 moest Jean Paulhan (foto) als hoofdredacteur wijken voor de reeds genoemde Drieu La Rochelle, waarop uitgeverij Gallimard als enige tijdens de bezetting mocht blijven functioneren. Toch had verzetsman Paulhan het na zijn eerste arrestatie in 1941 aan de tussenkomst van Drieu te danken dat hij vrijgelaten werd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Paulhan in zijn beroemde Lettre aux directeurs de la Résistance uit 1952 een beroep deed op het CNE om niet zelf nu als censor op te treden. Paulhan besloot al vroeg de omstreden schrijver Louis-Ferdinand Céline (1894-1961) opnieuw uit te geven.

De tentoonstelling in het Hôtel de Ville is nog tot 9 juli te bezichtigen, de toegang is gratis. In het bijbehorende boek met de titel Archives de la vie littéraire sous l'Occupation. À travers le désastre (uitgeverij Tallandier) zijn de meeste stukken uit de expositie terug te vinden. Zeer interessante lectuur biedt ook het door de New York Times geciteerde boek van Alan Riding uit 2010: And the Show Went on: Cultural Life in Nazi-occupied Paris.

Tags: Franse literatuur, Tentoonstellingen, Polemiek
Geplaatst door Marjolein Corjanus op 18-06-2011
Verwante berichten
Reacties
Er werden nog geen reacties geplaatst.
Geef uw mening