PRESSE PAPIER # 31 - Ann De Craemer - Vurige tong

‘Zwijgt en doe voort', zo luidt het motto in het hoogkatholieke Tielt, beweert journaliste Ann De Craemer. Wanneer haar ‘tante Nonne' sterft, ontbrandt ze in een nietsontziende woede tegen de clerus en haar kleinsteedse opvoeding. In haar autobiografische ‘vertelling' Vurige tong brengt ze er virulent verslag van uit.

 

Toen schrijver Gerard Walschap het almaar feller aan de stok kreeg met de Kerkbazen, nam hij uiteindelijk met het vlijmscherpe pamflet Salut en merci (1955) definitief afscheid van het geloof. Tal van andere Vlaamse auteurs - van Clem Schouwenaars en Monika van Paemel tot Hugo Claus en Tom Lanoye - schreven beklemmende pagina's over de tentakels van de clerus. Toch leek het streng-katholieke Vlaanderen een paar jaar geleden nauwelijks nog een issue in de Vlaamse letteren, tenzij als bron van folklore en vermaak. Maar zie, door de pedofilieschandalen in de Kerk zien uitgevers weer volop brood in verstikkende verhalen over de impact van wijwatervat en kazuifel.

 

De Vlaamse journaliste Ann De Craemer (°1981) doet haar profijt met die trend. Ze begeeft zich in haar vertelling Vurige tong in de krochten van het katholieke geloof en offreert Kerk en kruis een ezelsstamp van jewelste. Als je De Craemer moet geloven wemelt het in haar geboortestad Tielt van de devote tjeven, die kop in kas door de straten trekken. Haar autobiografisch relaas roept met zijn pamflettaire trekjes reminiscenties op aan Walschaps tirade. Het staat stijf van de woede over de houdgreep van Het Rijke Roomse Leven. Maar heeft de kerk werkelijk nog zoveel impact als ze beschrijft? Is het geen reus op lemen voeten geworden?

De felheid van haar betoog verrast, zeker omdat het zich grotendeels in de jaren tachtig en negentig afspeelt. Want je zou de zeloterie en de bokkesprongen van nonnen, priesters en leraressen in De Craemers boek ook met een schouderophalen én met humor kunnen afdoen. Ten slotte heeft "geen priester met zijn melkwitte tengels aan mijn lijf gezeten, en geen non heeft haar beate glimlach al te begeerlijk mijn richting uit gestuurd", noteert ze immmers. Toch zet De Craemer er meteen doodserieus de beuk in en raakt ze niet uitgefulmineerd over de diffuse angsten en schuldgevoelens die ze moet overwinnen: "De kerk, die haar monsterachtige tentakels zo diep in mijn geboortegrond heeft geplant en zoveel gegijzelde geesten inprentte dat rond de kerktoren het grootste heil te vinden was, spuwt vandaag nog steeds haar gif." Soms is het alsof je met Vurige tong een politiek verkiezingsgeschrift uit het holst van de Schoolstrijd in handen krijgt.

De schellen vallen De Craemer voorgoed van de ogen wanneer haar tante Denise overlijdt, die op jonge leeftijd tegen heug en meug het klooster intrad. Stilzwijgend heeft ze haar hele leven haar lot gedragen. De dood van tante Nonneke grijpt De Craemer meer aan dan ze ooit had kunnen vermoeden. Ze wil per se het dode lichaam van tante Denise zien, om "het gevecht aan te gaan met de belachelijkste aller dwaasheden die het katholicisme de mensen heeft wijsgemaakt: dat de dood niets voorstelt, want daarna volgt het eeuwige leven en dat is het echte leven." Wanneer ze de wijwaterkwast krijgt aangereikt, kolkt het bij De Craemer: "go to hell, zuster van Maria van Pittem, met je kwast, met op je gezicht die heilige, onkreukbare glimlach waar nonnen als jij een patent op hebben. (...)." Na nog enige banvloeken, besluit De Craemer niet langer te zwijgen, ook al omdat de kleinsteedse mentaliteit van Tielt, "het dorp dat zich stad noemt", haar de strot uitkomt. "Zwijgt en doe voort", is het devies: "Zoals hun God de Vader al duizend jaren schittert in stilzwijgen." De Cramer maakt ras le bol met het door de kerk geïmpregneerde minderwaardigheidscomplex én met nodeloze nederigheid.

 

Met veel vuur rijgt De Craemer de benauwende belevenissen uit haar katholieke jeugd aan elkaar. Als een rozenkrans, zou je haast zeggen. Levendig beitst ze de taferelen met zwartrokken, jeneverdrinkende dekens én frenetiek kerkgezang op het netvlies. En passant offreert ze een geschiedenislesje over Tielt, waar ook collaborateur-priester Cyriel Verschaeve rondbanjerde. En ook kardinaal Danneels (uit het nabije dorpje Kanegem) krijgt menige veeg uit de pan, vanwege zijn talent om misplaatst te zwijgen wanneer er moet gesproken worden.

Zeker is dat De Craemers relaas je moeiteloos bij de lurven pakt, ondanks soms te clichématige vergelijkingen en onhandige zinnen, zoals: "Het was de angst voor wat er zou gebeuren als ik niet langer Jezus' vriend zou zijn die tot fascinatie leidde." Maar dat De Craemer onmiskenbaar talent heeft, bewees ze eerder al in haar Iran-reisboek Duizend-en-een-dromen (2010). Tegelijk heeft haar boek iets doordrammerigs. Na een poos heb je de boodschap wel degelijk begrepen.

Uiteindelijk denkt De Craemer haar heil te vinden in de grootstad Brussel. Want ja, ook fysiek moet je wel echt vanonder die kerktoren. Dat blijkt een vergissing. "Mijn laatste stuiptrekking van dorpskleinheid was te geloven dat een mens groter wordt als hij ook naar de echte grote stad verhuist." Ze keert zowaar terug naar Tielt: "Nu ik mijn kerktoren met woorden heb neergehaald, kan ik hem omarmen." De conclusie dringt zich ondubbelzinnig op: "En ik mag mij nu nog schrobben met schuurpapier tot mijn vel ervan bloedt, er zal altijd wel iets van die geur van kerkelijke kleinheid overblijven." 

 

Ann De Craemer, Vurige tong, uitgeverij De Bezige Bij Antwerpen, 185 pagina's, 19,95 euro.

 

[Licht uitgebreide versie van een eerder in De Morgen verschenen recensie]

Tags: Nederlandse literatuur
Geplaatst door Dirk Leyman op 26-06-2011
Verwante berichten
Presse-papier
Reacties
Er werden nog geen reacties geplaatst.
Geef uw mening