PRESSE PAPIER # 34 - Nicolas Bouvier - De schorpioenvis

De opvolger van de ultieme en uiterst succesvolle road novel De wegen van de wereld zou je eigenlijk het best kunnen kwalificeren als een anti-reisboek. Waar het eerst genoemde boek vol is van beweging en enthousiasme, daar is De schorpioenvis een boek van stilstand, leegte, ziekte, hallucinatie en depressie.
In de jaren 1953-1954 reisde schrijver-journalist Nicolas Bouvier samen met zijn kameraad, de schilder-tekenaar Thierry Vernet in een kleine Fiat van thuisbasis Genève via Joegoslavië, Turkije, het toenmalige Perzië, Pakistan naar Afghanistan. Zijn aanstekelijke reisverslag - voor twee jongens met een onbegrensde nieuwsgierigheid en een duidelijk doel voor ogen gaan alle deuren open -, verlucht met prachtige tekeningen van Vernet, schreef hij zo'n tien jaar nadien. Het eindigt op het moment dat India aan zijn voeten ligt. Toch is Bouvier licht in mineur, omdat zijn vriend hem heeft verlaten om op Ceylon met zijn geliefde te trouwen.
Dat is dan ook de plek waar de wegen van India hem naartoe zullen voeren. Hoe Bouvier er komt, is volstrekt onduidelijk. Hij maakt geen gewag van een bootreis: aan het einde van het eerste hoofdstuk is hij op de Kaap van de goddelijke maagd (volgens vertaalster Floor Borsboom, die hem nareisde, valt het overigens sterk te betwijfelen dat hij vandaaruit de oversteek naar Ceylon maakte), en aan het begin van het volgende rijdt hij (naar we mogen aannemen in zijn trouwe Fiat Topolino) over de "aarden weg die (...) kronkelt tussen de waterreservoirs van de oude dynastieën" van Ceylon, het huidige Sri Lanka.
Hoewel de omstandigheden sober zijn, begint Bouvier vol optimisme aan zijn verblijf aldaar. Zijn kamer, acht passen lang en vier breed, is schamel gemeubileerd en kost één roepie per dag. Maar, al schrijvend bij zijn olielamp, met een pot zwarte thee naast hem is Bouvier gelukkig: "Meer heb ik niet nodig om me hier vrolijk af te beulen tot ik weer gezond ben. Ik heb geld voor drie maanden en mijn hele leven voor me."
Al snel verdampt zijn aanvankelijke goede moed. De hitte is bijna onverdraaglijk (na zes uur ‘s ochtends is het te warm om nog iets te doen) en de meeste bewoners verkeren in volstrekte indolentie; zij laten hun geluk van hun goden afhangen en kopen hun pech af bij magiërs die in rituelen handelen. En dat is nog maar het begin. Bouvier krijgt geen schrijfklussen los gepeuterd bij de contacten die hij heeft. Hij wordt ziek en is zo eenzaam dat het insectenvolk waarmee hij zijn kamer deelt zijn vrienden worden: urenlang kan hij naar de bedrijvigheid van mieren en termieten kijken. Verschillende nachten brengt hij door op de trappen van een jezuïtische kerk: luisterend naar Padre Alvaro, een leviterende priester, die bij navraag al vijf jaar dood blijkt te zijn.
Dat Bouvier aan het hallucineren slaat in dat van tovenarij vergeven oord waar koorts, diarree en leveraandoeningen aan de orde van de dag zijn, is niet zo vreemd. Het doet er ook niet toe of wat hij schrijft klopt of is ingegeven door waanvoorstellingen of valse herinneringen. Zijn observaties dwingen je tot precies lezen en dompelen je onder in het trage en treurige bestaan dat hij leidt.
Ook dit is bij nader inzien een reisverslag. Geen reis waarbij kilometers worden afgelegd, maar een reis waarbij hij afdaalt in zijn binnenste. Zelf verwoordt hij prachtig: "Je reist niet om jezelf als een kerstboom op te tuigen met exotica en anekdotes, maar om jezelf kaal te plukken, uit te spoelen en uit te wringen tot je net zo'n versleten handdoekje bent als dat je met een stukje zeep krijgt aangereikt in een bordeel."

Tags:
Geplaatst door Wineke de Boer op 08-09-2011
Verwante berichten
Presse-papier
Reacties
Er werden nog geen reacties geplaatst.
Geef uw mening